Certificaat Zorg voor Borstvoeding
De WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) en UNICEF (het Kinderfonds van de Verenigde Naties) hebben in 1991 het Baby Friendly Hospital Initiative (BFHI) gelanceerd om te bevorderen, dat baby’s waar ook ter wereld vanaf de geboorte borstvoeding kunnen krijgen. De bescherming, bevordering en ondersteuning van borstvoeding is wereldwijd een prioriteit voor de volksgezondheid. Het is een van de meest effectieve manieren om de gezondheid van onze kinderen te verbeteren. Daarnaast heeft het positieve effecten op moeders, de gezondheidszorg, het milieu en de maatschappij in het algemeen.
Ook in Nederland waren de borstvoedingcijfers dramatisch gedaald aan het einde van de 20ste eeuw en is de bevordering van borstvoeding speerpunt van beleid van de overheid (Voedingsnota 2009 van het Ministerie van VWS). De ‘Tien vuistregels voor het welslagen van de borstvoeding’ vormen de internationaal aanvaarde basis voor het BFHI. Interventies in de gezondheidszorg die betrekking hebben op de pre- èn postnatale periode, inclusief de cruciale dagen rondom de bevalling, zijn effectiever dan interventies die zich slechts richten op een enkele periode. (De bescherming, bevordering en ondersteuning van borstvoeding in Europa: een Blauwdruk voor actie; 2004). Het BFHI is een voorbeeld van zo’n interventie met een breed bereik, een interventie die bovendien bewezen effectief is.
De WHO en UNICEF ontwikkelden Tien vuistregels voor het welslagen van de borstvoeding. Instellingen voor moeder- en kindzorg die het certificaat Zorg voor Borstvoeding hebben gekregen, dragen er zorg voor:
- dat zij een borstvoedingsbeleid op papier hebben, dat standaard bekend wordt gemaakt aan alle betrokken medewerkers.
- dat alle betrokken medewerkers de vaardigheden aanleren, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van dat beleid.
- dat alle zwangere vrouwen worden voorgelicht over de voordelen en de praktijk van borstvoeding geven.
- dat moeders binnen een uur na de geboorte van hun kind worden geholpen met borstvoeding geven.
- dat aan vrouwen wordt uitgelegd hoe ze hun baby moeten aanleggen en hoe zij de melkproductie in stand kunnen houden, zelfs als de baby van de moeder moet worden gescheiden.
- dat pasgeborenen geen andere voeding dan borstvoeding krijgen, noch extra vocht, tenzij op medische indicatie.
- dat moeder en kind dag en nacht bij elkaar op een kamer mogen blijven.
- dat borstvoeding op verzoek wordt nagestreefd.
- dat aan pasgeborenen die borstvoeding krijgen geen speen of fopspeen wordt gegeven.
- dat zij contacten onderhouden met andere instellingen en disciplines over de begeleiding van borstvoeding en dat zij de ouders verwijzen naar borstvoedingorganisaties.

