Mevrouw van T. woont rustig in haar Almeerse huurwoning. In 1994 is ze 65 jaar geworden. Sindsdien bestaat haar inkomen uit een heel bescheiden AOW-pensioen en aanvullende bijstand van de sociale dienst. Op 19 februari 2007 krijgt ze een brief van het ministerie van VROM. Mevrouw van T. moet € 329,16 huursubsidie terug betalen. Volgens het ministerie was haar inkomen in 2004 te hoog om subsidie te krijgen. Even later krijgt ze een aanmaning van de Belastingdienst. Die wil voor het jaar 2004 graag € 1.822 van mevrouw van T. ontvangen.

Mevrouw van T. gaat naar het spreekuur van de Sociaal Raadslieden. Uit de aanslag inkomstenbelasting blijkt dat mevrouw van T. voor 2004 geen aangifte voor de inkomstenbelasting heeft gedaan. Dat heeft ze voor 2005 wel gedaan. Toen kreeg ze juist geld terug van de Belastingdienst.

De raadslieden vragen mevrouw van T. om alle informatie over haar inkomsten en ziektekosten uit 2004 te brengen. Met die informatie controleren de Sociaal Raadslieden de juistheid van de aanslag inkomstenbelasting. De aanslag blijkt niet juist te zijn. Het inkomen van de Almeerse is ruim € 8.000 te hoog vastgesteld. Daardoor moet mevrouw van T. € 1.822 betalen aan de Belastingdienst. Als de Belastingdienst het juiste inkomen vaststelt krijgt ze zelfs geld terug en hoeft ze de huursubsidie niet terug te betalen

 

De Sociaal Raadslieden vragen de Belastingdienst om het inkomen lager vast te stellen. De Belastingdienst willigt dat verzoek in en betaalt mevrouw van T. € 87 terug. Daarop laat het ministerie van VROM weten dat de Almeerse de huursubsidie niet terug hoeft te betalen. Vanwege het lagere inkomen krijgt mevrouw van T. juist
€ 102 meer huursubsidie. Een schuld van € 2.151 is zo omgezet in een tegoed van
€ 189.